Vriendinnen

Toen ze de deur opende, voelde ik de samentrekking van mijn binnenste.
‘Wat is er met jou gebeurd? Is hij weg?’
‘Hij is weg.’
‘Kwam hij weer geld halen?’
‘Ja.’
‘Ben je al naar de dokter geweest?’
‘Ja. Niets is kapot, alleen maar een bloeduitstorting.’
‘Hoe lang houd je dit nog vol?’
‘Ach, hij komt niet iedere dag.’
‘Hoe kan je zo onverschillig zijn? Heeft hij nog een huissleutel?’
‘Ja.’
‘Waarom verander je niet het slot? Je moet je toch veilig voelen in je eigen huis?’
‘Dat doe ik tot hij weer komt.’
‘Heb je een stuk ijzer voor je kop? Die vent is gokverslaafd en gevaarlijk. Hij is geen familie van je, niet eens meer je lover. Als vriendin moet ik je dit vragen, heb je hersens in die schedel van je?’
‘Je moet niet zo hard zijn.’
‘Hard? Hoe noem je dat wat hij ieder keer bij je doet? Hij slaat je bont en blauw en dan ben ik hard?’
‘Wil je wat drinken?’
Voordat ik antwoord gaf, moest ik bedaren. Mijn hart sloeg harder, ik had een natte nek, klamme handen en mijn lichaam voelde gespannen aan.
‘Ik wil wel wat drinken, maar niet hier.’
‘Hoezo, niet hier?’
‘Ik voel me hier niet veilig.’
‘Hij doet je niets.’
‘Ik zal niet rustig toekijken hoe hij je onder handen neemt.’
‘Maar ik kan zo niet naar buiten?’
‘Waarom niet? Je bent toch naar de dokter geweest?’
‘Dat was niet sociaal, dat was omdat ik moest.’
‘We kopen iets en gaan in het park zitten.’
‘In het park? Nog erger.’
‘Weet je wat? Ik ga naar huis. Ik voel me niet op mijn gemak zo lang jij je slot niet verandert.’
‘Ga je nu al? Je bent er net.’
‘Kijk, jij hebt voor jezelf al bepaald dat je zo wilt blijven leven.’
‘Kom je nooit meer?’
‘Dat zei ik niet, maar voor een middag was dit genoeg opwinding. Ik vind je nog steeds een lieve vriendin, maar ik ga.’
Onderweg vroeg ik me af of ik een goede beslissing had genomen om haar alleen te laten. Ik keerde de auto en reed terug. Op de parkeerplaats keek ik naar boven. Potver, hij was teruggekomen. 112 bellen. Hij had haar naar de galerij gesleept en vanwaar ik stond, leek het alsof hij haar van vier hoog naar beneden probeerde te gooien. Ze vocht ertegen. Ik glipte naar binnen, toen een bewoner uit de flat naar buiten kwam en sloop naar boven over de galerij. Hij was zo bezig dat hij me niet zag. ‘Waar is het? Ik wil je pas?’
‘Hé, laat haar los.’
Hij hoorde me niet.
‘Peter, ik praat tegen je, laat haar los.’
Hij stopte en verslapte zijn greep, ging rechtop staan en zei: ‘Bemoei je er niet mee.’
‘Nou dan heb je pech, laat haar los.’
‘Of? Wat doe je als ik haar niet los laat?’
‘Ik ben niets van plan. Ik denk dat je verstandig genoeg bent om haar los te laten.’
‘Nee. Ik moet haar bankpas hebben.’ Terwijl hij dat zei, trok hij aan haar arm.
‘Schaam jij je niet dat je een vrouw moet aanvallen voor haar pas?’
‘Ik moet het gewoon hebben en dat is duidelijk.’ Hij draaide zich om en probeerde haar overeind te trekken. Ze vocht ertegen. Hij stompte haar. Dit ging me te ver en ik spelde mijn broche los. Gewapend met mijn speld kwam ik dichterbij en stak hem in zijn been. Hij was verrast, liet haar los en hield zijn been vast.
‘Kreng,’ snauwde hij.
Ik had geen idee hoe ik eruit zag, maar hij draaide zich om en belandde in de armen van de politie, die aan kwamen lopen. ‘Een bekende van ons.’ De vrouwelijke agent nam de ernst van de situatie op en belde een ambulance.
Ik zakte neer op de galerij naast mijn hevig snikkende vriendin, die er bijna niet meer was geweest. Ik omhelsde haar en wachtte totdat ze bedaarde.
‘Slot op de deur veranderen?’, vroeg ik.
Eindelijk knikte ze.
Ze bleef ter observatie een nacht in het ziekenhuis.
Ik ging met zware botten naar huis. Mijn man die ik had ingelicht, wachtte mij op met een glimlach. Er was geen stukje aanrecht meer te zien door de schalen, pannen, deksels en kookbenodigdheden schoon en gebruikt door elkaar, maar de met kaarslicht gedekte tafel met de warme maaltijd compenseerde alles van die dag.