Schoenen

Louisa was twaalf jaar oud en zat op de katholieke school in haar dorp. Ze was een late leerling en zat daardoor in groep zeven. Dat maakte haar niets uit want ze had tal van vriendinnen met wie ze op het schoolplein kon spelen. Ze vermaakte zich best, maar in de klas was de sfeer anders dan buiten. Daar zat zuster Regina, een non uit het klooster naast de Katholieke kerk.

Ze gaf hen alle vakken en ze keek niet erg vriendelijk de klas rond. Ze was heel streng en de helft van de klas mocht haar niet, omdat ze vreselijk kon foeteren en ze sloeg met een liniaal. Louisa had zich vaak afgevraagd, hoe het kwam dat iemand met zo’n humeur een non kon zijn. In haar belevenis was een non iemand die veel bad en lief was. Zo te zien trok zuster Regina zich niets aan van de te stille klas. Vaak genoeg zei ze: ‘ik ben hier om jullie les te geven, dus als ik jullie was dan zou ik goed opletten als ik wat uitleg.’

Louisa en velen uit de klas zagen er tegenop als ze maandag weer naar school moesten. Controle. Dan zat zuster Regina achter haar lessenaar die op een verhoging stond over de hoofden te kijken. Iedereen was stil. Ze opende haar grote zwarte boek waarin ze schreef.
Ze riep: ‘Claudia, ben je gisteren naar de kerk geweest?’
‘Ja zuster.’
“Goed zo.’ Ze schreef na iedere naam iets op en riep dan verder: ‘Esther?’
‘Ja zuster.
‘Linda?’
‘Ja zuster.’
‘Louisa? ‘
Geen antwoord. Louisa zat haar nagels te bestuderen.
Zuster Regina keek op: ‘Louisa, ben je naar de kerk geweest?’
‘Nee zuster.’ fluisterde Louisa bijna.
‘Waarom niet?’
Louisa haalde haar schouders op en zweeg.
‘Ik stelde je een vraag jonge dame.’ Wat klonk ze streng.
‘Ik heb geen schoenen om mee naar de kerk te gaan.’ fluisterde Louisa weer. Een enkeling gniffelde zachtjes. Ze wist precies wie dat was. Anna. De dochter van rijke ouders, die alles kreeg wat ze wilde. Weinig kinderen wilden met haar spelen, omdat ze bang was dat haar mooie jurk vies zou worden. Stom kind. De rest van de klas heeft ooit hetzelfde probleem gehad van kapotte schoenen.
Zuster Regina stond op, liep naar Louisa toe en keek onder haar bank. ‘Wat heb je nu aan je voeten?’
‘Schoenen zuster, maar ze zijn kapot.’
‘Kapot. Ik zie niets. Je krijgt een streep. Je weet het hè, drie strepen betekent straf. Begrepen?’
‘Ja zuster.’

Na school sleepte ze met een voet en met de andere leek het of ze een voetbal een trap gaf. Ze had moeite met lopen. Haar vriendin die met haar schoenen in de hand naar huis liep vroeg: ‘waarom doe je ze niet uit. Zo loop je toch niet lekker?’
Stom, waarom had ze daar niet eerder aan gedacht. Het is lekker warm, dus waarom niet, als ze maar niet op het hete asfalt liep.
‘Ik heb geen geld voor schoenen, al het geld is opgegaan aan eten. Vraag het je vader straks als hij uit zijn werk komt.’ zei haar moeder.
Louisa wachtte tot haar vader had gegeten en achter zijn krant zat. ‘pap, mag ik nieuwe schoenen?
Haar vader keek niet op. ‘Hier staat dat er een tentoonstelling komt van de Franse kunstenaar Le Sidaner in het museum. Misschien kunnen we met z’n allen erheen. Wat vind je ervan?’
‘Moeten we weer naar een museum? Ik kan niet gaan, mijn schoenen zijn kapot.’
‘Nee, niet nog eens. Laat eens zien,’ zei hij geïrriteerd, ‘hopelijk kan ik ze lijmen.’ Hij bekeek haar schoenen, trok zijn wenkbrauwen samen en zei: ‘hm, had je zo’n honger? Een hap is bij die ene schoen eruit.’
‘Felix speelde ermee en hapte erin.’ legde ze uit.
‘Ik zei het toch, wat moeten we met een hond. Hij bijt alles stuk. Eigenlijk moeten we hem wegdoen. We kunnen al die dingen niet vervangen die hij stuk maakt.’
‘Nee, papa alsjeblieft niet wegdoen. Hij is zo lief.’
‘Lief? Lief?’ Hij keek haar aan en schudde zijn hoofd. ‘Ga spelen en laat me de krant maar lezen.’