Abraham de Veer

Abraham de Veer werd op 8 januari 1767 op Curaçao geboren als eerste kind van
Johannes de Veer die directeur van Curaçao en Onderhorigheden was en
Gijsbertha Vos.

Abraham de Veer-school werd genoemd naar hem toen de mulo-afdeling van de
Commandeur Pieter Boer-school in september 1952 werd afgesplitst.
Hij huwde tweemaal.
Uit het huwelijk met Dorothea Elisabeth van Uytrecht werden negen kinderen
geboren. Uit zijn tweede huwelijk met Aletta Schotborgh is een zoon geboren.
De zoon uit de tweede huwelijk en een aantal van zijn kleinzonen hebben een
grote rol gespeeld op Curaçao en Aruba.

Vroege loopbaan
De Veer werd in 1803 benoemd tot bestuurder van Curaçao en lid van de Raad
als commissaris. In deze functie sloeg hij in 1804, met een garnizoen van 89 man,
een aanval van de Engelse commodore Blay af. Tijdens de strijd werd zijn woning
Mundo Novo verwoest en verloor hij negen slaven en een groot aantal dieren.
Toen de Engelsen in  juni 1805 het eiland aan de westzijde  opnieuw belaagden
werd de zoon van De Veer, cadet de Veer, door de Engelsen na een bittere strijd
gevangen genomen en als krijgsgevangene naar Jamaica getransporteerd.

Onder gouverneur-generaal Pierrre Jean Changuion (1804) werd De Veer opnieuw
benoemd tot ontvanger-generaal. Deze zelfde functie weigerde hij toen in 1807 de
Engelse veroveraar Brisbane hem opnieuw wilde benoemen. Lodewijk Napoleon
stelde hem toen aan als commandant-generaal aan de kust van Guinee.

Op de tocht daarheen werd De Veer gevangen genomen door de Engelsen; hij
kwam op Erewoord in 1809 vrij, en vertrok toen alsnog naar zijn bestemming.
Aldaar, te Elmina, werd het kasteel belegerd door 35.000 Fantijnen, daarin
gesteund door Engelsen, die hen met munitie en proviand ondersteunden. De Veer
sloot echter een verdrag met hen, waardoor de vrede terugkeerde. Doordat Holland
onderdeel van Frankrijk was geworden kwam De Veer te Elmina in een isolement
terecht en pas na zes jaar kon hij het bestuur aan Daendels overdragen.

Functies als gouverneur
De Veer werd benoemd tot gouverneur van Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba en bij
Koninklijk Besluit van 26 oktober 1821 nummer 78 aangesteld tot gouverneur van
Suriname. Aldaar kwam hij op 25 maart van het jaar 1822 per Zr. Ms. brik van oorlog
De Zwaluw aan de monding van de Surinamerivier (Bramspunt) aan.
Als gouverneur bestreed De Veer onder meer de illegale slavenhandel en trof hij
diverse financiële maatregelen teneinde de economische situatie daar te verbeteren.
Het einde van zijn gouverneurschap kenmerkte zich door allerlei negatieve
verwikkelingen en rond 1828 werd. De Veer, mede doordat de commissaris-generaal
zijn bewindvoering niet krachtig genoeg vond om de positie van gouverneur-generaal
der West-Indische bezittingen op zich te nemen, eervol ontslagen.
Dat was met ingang van 17 mei 1828: “Bij besluit van 17 mei 1828.  Zijne Exellentie,
de heer commissaris-generaal van de West-Indische bezittingen, in opdracht van Zr.
Ms. de Koning, verleent hem eervol ontslag uit de betrekking der gouverneur van deze
kolonie en benoemt tot gouverneur-generaal over de gezamenlijke West-Indische
bezittingen Paulus Roelof Cantzelaar.”

De Veer overleed in de nacht van 1 op 2 februari 1838 op 73-jarige leeftijd te
Paramaribo. Hij was ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en van het Legioen
van Eer. Zijn rangen waren die van generaal-majoor, in dienst van Zijne Majesteit de
Koning der Nederlanden, gouverneur der kolonie Suriname en Opperbevelhebber in
deze gebieden.

Bronvermelding
https://www.nederlandsekrijgsmacht.nl/index.php/kl/269-officieren-van-het-
nederlandse-leger/infanterie/1010-veer-abraham-de